Je komt wat geld tekort op de begroting van de school en je eerste gedachte is om hier en daar de kaasschaaf te hanteren. Maar waar? Het eerste wat in het oog springt is de opslagfactor. Laat ik dat even uitleggen: de taak van een docent bestaat uit lessen, alles wat daar bij komt kijken (voorbereiden, nakijkwerk, ontwikkeling van materiaal, bijhouden van het vak, vakgroepvergaderingen, etc.) en uit extra taken, die door de schoolleiding kunnen worden toebedeeld. Totaal komt dat voor elke werknemer uit op 1659 uur per jaar. Nu is het zo dat de taken die samenhangen met de lessen worden vergoed door middel van een opslagfactor op de daadwerkelijke lestijd. Dit verschilt per school/werkgever. Op onze school is dat 0,9. Dat betekent dat de vergoeding voor elke les 1,9 bedraagt. Dit is een vrij hoge factor; 1,65 is zo'n beetje een vaak gehoord gemiddelde. Het zal duidelijk zijn dat dit soort tienden van procenten per les, per leraar opgeteld voor een school grote bedragen kunnen opleveren.
Niks mis mee: denk goed na over wat je leraren allemaal wilt laten doen, ga op het gemiddelde zitten en bedenk een goed systeem waarmee je kunt monitoren of alle tijd ook daadwerkelijk en nuttig besteed wordt. Je realiseert een aanzienlijke bezuiniging en, mits goed uitgelegd, zullen werknemers wel begrijpen dat een bezuiniging ergens vandaan moet komen. En als dan ook nog op jouw school de opslagfactor aan de hoge kant is, is de berekening niet zo moeilijk meer.
Het wordt lastiger wanneer je twee vliegen in één klap wilt slaan: we gaan ook differentiëren tussen verschillende groepen docenten: veel of weinig correctie, grote of kleine klassen, wel of niet een LC- of LD-functie. Een collega met kleine klassen kan met minder opslagfactor toe, toch? Of ligt de zaak complexer? De collega tekenen heeft twee of drie kleine groepen van verschillende jaarlagen bij elkaar en valt nog steeds in de categorie 'kleine klas', maar moet wel rennen en vliegen om al die verschillende leerlingen en programma's op elkaar af te stemmen. Als je weinig correctie hebt, heb je minder opslagfactor nodig dan een collega met minder correctie!? Brengen we dan de docenttaak niet te veel terug tot les en correctie? Wie organiseert eigenlijk al die buitenschoolse sport, die toernooien, deelname aan regionale competities? Wie stelt de tentoonstellingen samen van beeldende kunst van leerlingen? Wie maakt eigenlijk altijd die prachtige decors? Zit er nog een beetje voorbereiding aan die muziekfestivals, of gaat dat eigenlijk vanzelf? Ik noem maar willekeurig wat op. Het gaat er natuurlijk om, dat we heel erg voorzichtig moeten zijn met de beoordeling van de taakbelasting van collega's van andere vakken. Daar hebben we namelijk geen verstand van.
Daar komt nog bij: we moeten meer gaan samenwerken in de school, meer verband tussen vakken, meer normaal-fucntioneel onderwijs (term van vroeger!). Hoe zal dat gaan straks: de talen gaan tekenen en handvaardigheid en kunstgeschiedenis betrekken bij literatuurgeschiedenis. Of misschien gaat drama wel een rol spelen bij de inzet van leerling-trainers voor de opleidingsschool. Tekenen en techniek samen met O&O? De leiding van de vakgroepen hebben we nu in de taakomschrijving opgenomen van de LC- en LD-docenten. Kwaliteitsborging, vakontwikkeling, innovatie, aansluiting bij schoolplannen is de verantwoordelijkheid van deze docenten en zij kunnen daar ook op worden afgerekend. In het nieuwe systeem zakken deze docenten naar 1,6 (tenzij grote klas, veel correctie) en worden alle extra taken, inclusief de aansturing van de vakgroepen, verdeeld door de directeur. Tot zover de aangekondigde 'centrale rol van de vakgroep.'
Ik ben bang dat de verdeel-en-heerspolitiek wel eens zijn doel voorbij kan schieten. Ik zou zeggen: neem alle vakken serieus en als er bezuinigd moet worden, dan doen we het samen!
De Speek
zondag 22 april 2012
Uitleg Groot Gelderlander Quadraam dictee
Leren van het Groot Gelderlander Quadraam Dictee?
Tijdens en na het dictee bereiken ons vaak vragen over de
achtergrond van bepaalde spelwijzen. Op dat moment is er niet altijd tijd om
daar uitgebreid op in te gaan. Het is echter heel interessant om de valkuilen
van het dictee te analyseren. Daarmee kunt u voorkomen dergelijke of verwante
fouten nog eens te maken.
In de nuvolgende versie van het 4F- dictee zijn de belangrijkste
valkuilen van uitleg voorzien. Let op: u kunt geen rechten ontlenen aan deze
uitleg. Hij is echt bedoeld als een ‘leermoment’.
Tijdens het dictee was er geen noodzaak om de barragezinnen voor 4F
in te zetten. Deze pareltjes maken dus geen deel uit van het dictee 2012 en
blijven ‘in portefeuille’!
Een voorwerp van aanhoudende zorg (voor de Nederlandse regering)
(Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, artikel 23, lid 1) (316 woorden)
1.
Amechtig (buiten adem) weeklagend
(wee = pijn. J.J.Slauerhoff, Het einde: Vroeger toen’k woonde diep in ’t
land, vrat mij onstilbaar wee.)) maar niet gespeend van gotspe (Jiddisch:
brutaliteit) en bravoure (zelfverzekerdheid en dapperheid) doorstaat
het Nederlandse onderwijs het contemporaine (hedendaags) tempeest (stormweer,
geweldig rumoer. Engels:the tempest) van alomtegenwoordige kritiek.
2.
Dalende PISA-classificeringen (PISA:
Programme for Interantional Student Assessment), ontwaarde (ontdaan van
waarde. Hele werkwoord: ontwaarden) getuigschriften, stuntelende pabostudenten (pabo is een letterwoord: daarom schrijven we het aan het tweede deel vast. Bij hts-student schrijven we een streepje)
en gechicaneer (gezochte bezwaren opwerpen / zaniken) over de
intrinsieke (wezenlijk, innerlijk) motivatie van onze geprivilegieerde (van
privilege: de eerste /e/ blijft dus staan) jeugd: de sector heeft het
zwaar!
3.
Een vrijblijvende ad-hocanalyse (ad
hoc: voor de gelegenheid, niet universeel geldig. Wanner met het woord een
samenstelling wordt gemaakt, moet er een streepje tussen de eerste twee delen,
omdat anders onvoldonede duidelijk is dat /ad/ en /hoc/ bij elkaar horen))
wijst de vijfenhalfjesmentaliteit (we schrijven samengestelde woorden zoveel mogelijk aan elkaar, waneer er geen klinkerbotsing optreedt) en dolce-far-nientesfeer (zalig nietsdoen)
van de jaren zeventig als belangrijke schuldige aan en doet vermoeden dat het
Nederlandse onderwijs eraan onderdoor zou kunnen gaan.
4.
In dit geruststellende verleden
gingen mms-meisjes en hbs’ers, in plissérok en plusfours (meervoud van
plusfour: broek 4 inch langer dan de knickerbocker en boven de enkel gesloten),
uitgerust met botaniseertrommel, nog vrolijk zingend op pad, op zoek naar
escarpette (lupine-achtig plantje) en hoe-langer-hoe-liever (rozetvormig
plantje met bloei op lange stelen. Het woord is een samenkoppeling zoals
kruidje-roer-me-niet of Onze-Lieve-Heer).
5.
En laten we eerlijk zijn: de essayistische
epistolaire pareltjes waartoe leerlingen eertijds door charismatische docenten
werden uitgedaagd, waren natuurlijk nog wel iets anders dan een lesje in
twitterpoëzie of een gecopy-pastet (geknipt en geplakt. De niet uitgesproken
/e/ uit de Engelse spelling moet blijven staan, omdat anders in de verleden
tijd pastte ontstaat)) en doorgewhatsappt (whatsapp: computerprogramma
waarmee gratis ge-sms’t kan worden) Prezietje (Prezi is de naam van een
presentatietool. Met een hoofdletter omdat het nog niet ingeburgerd is, in
tegenstelling tot powerpoint) .
6.
Het onderwijsproces is echter niet
eenvoudiger geworden.
7.
De twintigste-eeuwer schreef,
tenminste vanaf 1995, nog met een gerust hart reüssite (welslagen, succes),
halffabrikaat en giraffenek, terwijl na 2005 de speller aan het twijfelen
gebracht wordt met nieuwe vormen als réussite, halffabricaat en giraffennek (de
regel: we schrijven /en/ wanneer het eerste deel niet eindigt op een toonloze
/e/ en een meervoud heeft op /en/), om nog maar te zwijgen over rare
uitzonderingen als Oud-Romeins. (Dit spel met de oude en nieuwe spelling is ongebruikelijk in een dictee, maar ook wel een uitdaging!)
In principe hanteren we de volgende regels bij samenstellingen met
hoog-, laat-, midden-, oud-. Wanneer het een taal betreft, schrijven we de
delen aan elkaar en het eerste deel met een hoofdletter (Oudromeins,
Laatlatijn). Wanneer het niet een taal betreft, schrijven we een streepje
tussen de delen en het tweede deel met een hoofdletter (oud-Fries,
vroeg-Griekse mythen). Echter, een speciale uitzondering is gemaakt voor
Oud-romeins en Oud-Grieks, wanneer ermee verwezen wordt naar het klassieke Rome
/ Griekenland.
8.
Kon de eerdergenoemde leraar nog
volstaan met flikkerende sfumato beelden (met vervagende, vervloeiende
omtrekken) (sfumatobeelden)van de sciopticon (projectielantaarn), modern
onderwijs vereist powerpoints, YouTubefilmpjes (YouTube is een nog niet
voldoende ingeburgerd merk en daarom in een samenstelling nog met hoofdletters)
en geavanceerde elo’s (electronische leeromgeving). Er moet tegenwoordig
ge-e-learnd (hele werkwoord: e-learnen. Denk ook aan ge-e-maild) worden.
9.
Toekomstbestendig onderwijs moet
weer focussen op het lerende kind. Een adieu aan de
educatiemolochs (moloch: iets waaraan alles opgeofferd moet worden.
Oorspronkelijk een Fenicische/Assyrische afgod, waaraan waarschijnlijk mensen
werden geofferd, Jer. 7:31) en de hedendaagse vorming op een
need-to-knowbasis (need-to-know is een samenkoppeling en het woord waarmee
een samenstelling is gemaakt /basis/ mag er aan vast) en terug naar een humboldtiaanse
(samenstelling met persoonsnaam met kleine letter wanneer het niet
rechtstreeks verwijst naar de persoon: marshallplan, molotovcoctail)
bildung (Duitse woorden schrijven we met kleine letter, tenzij het een naam
betreft: Wehrmacht).
10. Dan
krijgen we onderwijs naar menselijke maat dat vanuit een nieuw
uomo-universale-ideaal (Italiaans: universele mens, duizendpoot. Begrip
afkomstig uit de renaissance. Ook vaak (maar nu even niet) latijn: homo
universalis) het vuurtje van nieuwsgierigheid, excellentie en passie kan
ontsteken bij de tabula rasa’s (glad gemaakt wastafeltje, later ‘vel’)(de
dudes en chickies) van de eenentwintigste eeuw.
woensdag 1 februari 2012
onderwijsrendement
Onderwijsrendement 1
Mijnheer Vandencirkel geeft drie minuten voor tijd het huiswerk op aan zijn vwo-3. ‘’Jongens, berg jullie laptopjes goed op en ik zie jullie morgen weer’’. De notebooks, Ipads en wat dies meer zij, verdwijnen in de gecapitonneerde rugzakjes en met een vrolijk ‘’Tot morgen!’’ verdwijnen de leerlingen uit het lokaal. Vwo-6 staat al te wachten. Met een geroutineerd en toch joyeus gebaar start mijnheer de aanwezigheidsregistratie. Eén voor één ‘’piepen ‘’ de leerlingen zichzelf aanwezig en gaan aan een bankje zitten. De eerste laptops worden al open geklapt en de leerlingen loggen in op de pagina die mijnheer Vandencirkel de vorige les al open heeft gezet. Verwachtingsvol kijken dertig paar ogen mijnheer Vandencirkel aan….
Onderwijsrendement 2
Mijnheer Vandencirkel besluit zijn leuke, interactieve les wiskunde tot het laatste moment te benutten – onderwijsrendement is tegenwoordig een belangrijke factor. De leerlingen zitten met rode oortjes achter hun laptops; het naderende einde van de les gaat volledig aan hen voorbij. Het spijt de gedreven docent wiskunde haast om deze les te beëindigen.
Drie minuutjes voor tijd vraagt mijnheer Vandencirkel de leerlingen om hun spullen op te ruimen, de tafeltjes weer in busopstelling te plaatsen en de laptops weer in de kar te plaatsen (‘’Denk eraan: alle laptops weer aan de stroom’’). De leerlingen verdringen zich rond de laptopkar en wachten op hun beurt. Nog een geluk bij een ongeluk dat er op deze verdieping maar één laptopkar beschikbaar is, denkt mijnheer Vandencirkel, met een nerveuze blik op de klok. Plotseling staat mevrouw Umlaut in het lokaal, al snel omringd door een stuiterende groep van brugklassers, zenuwachtig kwetterend naar hun lerares. ‘’Is het een moeilijke toets, mevrouw Umlaut?’’; ‘’De toets valt toch wel mee, hoop ik?’’.
Haastig transporteert mijnheer Vandencirkel de laptopkar, 15 leerlingen met laptop en zijn eigen spullen naar de gang. Op dat moment gaat de zoemer…. Mijnheer Vandencirkel wordt verwacht bij vwo-6, aan de andere kant van het gebouw en twee verdiepingen lager.
Wanneer de laatste leerlingen hun laptop in de kar geplaatst hebben, duwt mijnheer Vandencirkel –zijn volle gewicht tegen het gevaarte- de zware kar richting de berging van de derde verdieping. Deur open, kar manoeuvreren in de nauwe kast, aan de stroom en de deur weer op slot. De sleutel van de laptopkar nog even terugbrengen naar het kantoor van de directeur. Ach hemel, de goede man is net in gesprek met een tweetal huilende leerlingen. Aarzelend staat mijnheer Vandencirkel voor de deur: je valt op zo’n moment ook niet zomaar binnen. Gelukkig ziet de directeur hem staan en wenkt hem binnen.
Nu eerst maar even vwo-6 binnen laten, vier trappen lager. De leerlingen staan natuurlijk te wachten: ‘’U bent veel te laat mijnheer!’’. ‘’Jongens, ik weet het’’, brengt mijnheer Vandencirkel puffend en hijgend uit. ‘’Ik ga snel de laptops halen. Wie kan mij even helpen?’’.
Met een bereidwillige leerling stevent Vandencirkel naar de kamer van de directeur om de sleutels te halen. Om tijd te winnen, stuur hij de leerling naar de eerste berging om de kar op te halen en loopt hij zelf door naar de tweede voor de tweede kar. Behendig stuurt hij de zware kar door de kamer naar de gang. De vwo-6 leerling staat al te wachten met de andere laptopkar.
Aan het einde van de gang bereiken zij het lokaal. ‘’Jongens, de karren staan op de gang. Haal allemaal even een laptop op.’’ Het is een vrolijke janboel op de gang als 30 jongvolwassenen een computertje uit vier deurtjes van twee laptopkarren moeten peuteren. Maar enfin, uiteindelijk zit iedereen weer op zijn plaats, keurig te wachten tot de computers opgestart zijn en er een fijne internetverbinding tot stand is gebracht. Inmiddels is de les al wel vijftien minuten op streek. Het zit mijnheer Vandencirkel niet lekker. Volgende keer maar een kwartiertje eerder stoppen met vwo-3, denkt hij bij zichzelf. Verdikkie, dat kan ook weer niet. Ook de leerlingen van vwo-3 hebben recht op een leuke les.
‘’Goed jongens, we gaan beginnen. Hoezo heb jij geen verbinding….?’’
Mijnheer Vandencirkel geeft drie minuten voor tijd het huiswerk op aan zijn vwo-3. ‘’Jongens, berg jullie laptopjes goed op en ik zie jullie morgen weer’’. De notebooks, Ipads en wat dies meer zij, verdwijnen in de gecapitonneerde rugzakjes en met een vrolijk ‘’Tot morgen!’’ verdwijnen de leerlingen uit het lokaal. Vwo-6 staat al te wachten. Met een geroutineerd en toch joyeus gebaar start mijnheer de aanwezigheidsregistratie. Eén voor één ‘’piepen ‘’ de leerlingen zichzelf aanwezig en gaan aan een bankje zitten. De eerste laptops worden al open geklapt en de leerlingen loggen in op de pagina die mijnheer Vandencirkel de vorige les al open heeft gezet. Verwachtingsvol kijken dertig paar ogen mijnheer Vandencirkel aan….
Onderwijsrendement 2
Mijnheer Vandencirkel besluit zijn leuke, interactieve les wiskunde tot het laatste moment te benutten – onderwijsrendement is tegenwoordig een belangrijke factor. De leerlingen zitten met rode oortjes achter hun laptops; het naderende einde van de les gaat volledig aan hen voorbij. Het spijt de gedreven docent wiskunde haast om deze les te beëindigen.
Drie minuutjes voor tijd vraagt mijnheer Vandencirkel de leerlingen om hun spullen op te ruimen, de tafeltjes weer in busopstelling te plaatsen en de laptops weer in de kar te plaatsen (‘’Denk eraan: alle laptops weer aan de stroom’’). De leerlingen verdringen zich rond de laptopkar en wachten op hun beurt. Nog een geluk bij een ongeluk dat er op deze verdieping maar één laptopkar beschikbaar is, denkt mijnheer Vandencirkel, met een nerveuze blik op de klok. Plotseling staat mevrouw Umlaut in het lokaal, al snel omringd door een stuiterende groep van brugklassers, zenuwachtig kwetterend naar hun lerares. ‘’Is het een moeilijke toets, mevrouw Umlaut?’’; ‘’De toets valt toch wel mee, hoop ik?’’.
Haastig transporteert mijnheer Vandencirkel de laptopkar, 15 leerlingen met laptop en zijn eigen spullen naar de gang. Op dat moment gaat de zoemer…. Mijnheer Vandencirkel wordt verwacht bij vwo-6, aan de andere kant van het gebouw en twee verdiepingen lager.
Wanneer de laatste leerlingen hun laptop in de kar geplaatst hebben, duwt mijnheer Vandencirkel –zijn volle gewicht tegen het gevaarte- de zware kar richting de berging van de derde verdieping. Deur open, kar manoeuvreren in de nauwe kast, aan de stroom en de deur weer op slot. De sleutel van de laptopkar nog even terugbrengen naar het kantoor van de directeur. Ach hemel, de goede man is net in gesprek met een tweetal huilende leerlingen. Aarzelend staat mijnheer Vandencirkel voor de deur: je valt op zo’n moment ook niet zomaar binnen. Gelukkig ziet de directeur hem staan en wenkt hem binnen.
Nu eerst maar even vwo-6 binnen laten, vier trappen lager. De leerlingen staan natuurlijk te wachten: ‘’U bent veel te laat mijnheer!’’. ‘’Jongens, ik weet het’’, brengt mijnheer Vandencirkel puffend en hijgend uit. ‘’Ik ga snel de laptops halen. Wie kan mij even helpen?’’.
Met een bereidwillige leerling stevent Vandencirkel naar de kamer van de directeur om de sleutels te halen. Om tijd te winnen, stuur hij de leerling naar de eerste berging om de kar op te halen en loopt hij zelf door naar de tweede voor de tweede kar. Behendig stuurt hij de zware kar door de kamer naar de gang. De vwo-6 leerling staat al te wachten met de andere laptopkar.
Aan het einde van de gang bereiken zij het lokaal. ‘’Jongens, de karren staan op de gang. Haal allemaal even een laptop op.’’ Het is een vrolijke janboel op de gang als 30 jongvolwassenen een computertje uit vier deurtjes van twee laptopkarren moeten peuteren. Maar enfin, uiteindelijk zit iedereen weer op zijn plaats, keurig te wachten tot de computers opgestart zijn en er een fijne internetverbinding tot stand is gebracht. Inmiddels is de les al wel vijftien minuten op streek. Het zit mijnheer Vandencirkel niet lekker. Volgende keer maar een kwartiertje eerder stoppen met vwo-3, denkt hij bij zichzelf. Verdikkie, dat kan ook weer niet. Ook de leerlingen van vwo-3 hebben recht op een leuke les.
‘’Goed jongens, we gaan beginnen. Hoezo heb jij geen verbinding….?’’
Abonneren op:
Posts (Atom)








