zondag 22 april 2012

Verdeel en Heers

Je komt wat geld tekort op de begroting van de school en je eerste gedachte is om hier en daar de kaasschaaf te hanteren. Maar waar? Het eerste wat in het oog springt is de opslagfactor. Laat ik dat even uitleggen: de taak van een docent bestaat uit lessen, alles wat daar bij komt kijken (voorbereiden, nakijkwerk, ontwikkeling van materiaal, bijhouden van het vak, vakgroepvergaderingen, etc.) en uit extra taken, die door de schoolleiding kunnen worden toebedeeld. Totaal komt dat voor elke werknemer uit op 1659 uur per jaar. Nu is het zo dat de taken die samenhangen met de lessen worden vergoed door middel van een opslagfactor op de daadwerkelijke lestijd. Dit verschilt per school/werkgever. Op onze school is dat 0,9. Dat betekent dat de vergoeding voor elke les 1,9 bedraagt. Dit is een vrij hoge factor; 1,65 is zo'n beetje een vaak gehoord gemiddelde. Het zal duidelijk zijn dat dit soort tienden van procenten per les, per leraar opgeteld voor een school grote bedragen kunnen opleveren.
Niks mis mee: denk goed na over wat je leraren allemaal wilt laten doen, ga op het gemiddelde zitten en bedenk een goed systeem waarmee je kunt monitoren of alle tijd ook daadwerkelijk en nuttig besteed wordt. Je realiseert een aanzienlijke bezuiniging en, mits goed uitgelegd, zullen werknemers wel begrijpen dat een bezuiniging ergens vandaan moet komen. En als dan ook nog op jouw school de opslagfactor aan de hoge kant is, is de berekening niet zo moeilijk meer.
Het wordt lastiger wanneer je twee vliegen in één klap wilt slaan: we gaan ook differentiëren tussen verschillende groepen docenten: veel of weinig correctie, grote of kleine klassen, wel of niet een LC- of LD-functie. Een collega met kleine klassen kan met minder opslagfactor toe, toch? Of ligt de zaak complexer? De collega tekenen heeft twee of drie kleine groepen van verschillende jaarlagen bij elkaar en valt nog steeds in de categorie 'kleine klas', maar moet wel rennen en vliegen om al die verschillende leerlingen en programma's op elkaar af te stemmen. Als je weinig correctie hebt, heb je minder opslagfactor nodig dan een collega met minder correctie!? Brengen we dan de docenttaak niet te veel terug tot les en correctie? Wie organiseert eigenlijk al die buitenschoolse sport, die toernooien, deelname aan regionale competities? Wie stelt de tentoonstellingen samen van beeldende kunst van leerlingen? Wie maakt eigenlijk altijd die prachtige decors? Zit er nog een beetje voorbereiding aan die muziekfestivals, of gaat dat eigenlijk vanzelf? Ik noem maar willekeurig wat op. Het gaat er natuurlijk om, dat we heel erg voorzichtig moeten zijn met de beoordeling van de taakbelasting van collega's van andere vakken. Daar hebben we namelijk geen verstand van.
Daar komt nog bij: we moeten meer gaan samenwerken in de school, meer verband tussen vakken, meer normaal-fucntioneel onderwijs (term van vroeger!). Hoe zal dat gaan straks: de talen gaan tekenen en handvaardigheid en kunstgeschiedenis betrekken bij literatuurgeschiedenis. Of misschien gaat drama wel een rol spelen bij de inzet van leerling-trainers voor de opleidingsschool. Tekenen en techniek samen met O&O? De leiding van de vakgroepen hebben we nu in de taakomschrijving opgenomen van de LC- en LD-docenten. Kwaliteitsborging, vakontwikkeling, innovatie, aansluiting bij schoolplannen is de verantwoordelijkheid van deze docenten en zij kunnen daar ook op worden afgerekend. In het nieuwe systeem zakken deze docenten naar 1,6 (tenzij grote klas, veel correctie) en worden alle extra taken, inclusief de aansturing van de vakgroepen, verdeeld door de directeur. Tot zover de aangekondigde 'centrale rol van de vakgroep.'
Ik ben bang dat de verdeel-en-heerspolitiek wel eens zijn doel voorbij kan schieten. Ik zou zeggen: neem alle vakken serieus en als er bezuinigd moet worden, dan doen we het samen!

Uitleg Groot Gelderlander Quadraam dictee



Leren van het Groot Gelderlander Quadraam Dictee?

Tijdens en na het dictee bereiken ons vaak vragen over de achtergrond van bepaalde spelwijzen. Op dat moment is er niet altijd tijd om daar uitgebreid op in te gaan. Het is echter heel interessant om de valkuilen van het dictee te analyseren. Daarmee kunt u voorkomen dergelijke of verwante fouten nog eens te maken.

In de nuvolgende versie van het 4F- dictee zijn de belangrijkste valkuilen van uitleg voorzien. Let op: u kunt geen rechten ontlenen aan deze uitleg. Hij is echt bedoeld als een ‘leermoment’.

Tijdens het dictee was er geen noodzaak om de barragezinnen voor 4F in te zetten. Deze pareltjes maken dus geen deel uit van het dictee 2012 en blijven ‘in portefeuille’!



Een voorwerp van aanhoudende zorg (voor de Nederlandse regering) (Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, artikel 23, lid 1) (316 woorden)

1.     Amechtig (buiten adem) weeklagend (wee = pijn. J.J.Slauerhoff, Het einde: Vroeger toen’k woonde diep in ’t land, vrat mij onstilbaar wee.))  maar niet gespeend van gotspe (Jiddisch: brutaliteit) en bravoure (zelfverzekerdheid en dapperheid) doorstaat het Nederlandse onderwijs het contemporaine (hedendaags) tempeest (stormweer, geweldig rumoer. Engels:the tempest) van alomtegenwoordige kritiek.





2.     Dalende PISA-classificeringen (PISA: Programme for Interantional Student Assessment), ontwaarde (ontdaan van waarde. Hele werkwoord: ontwaarden) getuigschriften, stuntelende pabostudenten (pabo is een letterwoord: daarom schrijven we het aan het tweede deel vast. Bij hts-student schrijven we een streepje) en gechicaneer (gezochte bezwaren opwerpen / zaniken) over de intrinsieke (wezenlijk, innerlijk) motivatie van onze geprivilegieerde (van privilege: de eerste /e/ blijft dus staan) jeugd: de sector heeft het zwaar!



3.     Een vrijblijvende ad-hocanalyse (ad hoc: voor de gelegenheid, niet universeel geldig. Wanner met het woord een samenstelling wordt gemaakt, moet er een streepje tussen de eerste twee delen, omdat anders onvoldonede duidelijk is dat /ad/ en /hoc/ bij elkaar horen)) wijst de vijfenhalfjesmentaliteit (we schrijven samengestelde woorden zoveel mogelijk aan elkaar, waneer er geen klinkerbotsing optreedt) en dolce-far-nientesfeer (zalig nietsdoen) van de jaren zeventig als belangrijke schuldige aan en doet vermoeden dat het Nederlandse onderwijs eraan onderdoor zou kunnen gaan.





4.     In dit geruststellende verleden gingen mms-meisjes en hbs’ers, in plissérok en plusfours (meervoud van plusfour: broek 4 inch langer dan de knickerbocker en boven de enkel gesloten), uitgerust met botaniseertrommel, nog vrolijk zingend op pad, op zoek naar escarpette (lupine-achtig plantje)  en hoe-langer-hoe-liever (rozetvormig plantje met bloei op lange stelen. Het woord is een samenkoppeling zoals kruidje-roer-me-niet of Onze-Lieve-Heer).










5.     En laten we eerlijk zijn: de essayistische epistolaire pareltjes waartoe leerlingen eertijds door charismatische docenten werden uitgedaagd, waren natuurlijk nog wel iets anders dan een lesje in twitterpoëzie of een gecopy-pastet (geknipt en geplakt. De niet uitgesproken /e/ uit de Engelse spelling moet blijven staan, omdat anders in de verleden tijd pastte ontstaat)) en doorgewhatsappt (whatsapp: computerprogramma waarmee gratis ge-sms’t kan worden) Prezietje (Prezi is de naam van een presentatietool. Met een hoofdletter omdat het nog niet ingeburgerd is, in tegenstelling tot powerpoint) .








6.     Het onderwijsproces is echter niet eenvoudiger geworden.



7.     De twintigste-eeuwer schreef, tenminste vanaf 1995, nog met een gerust hart reüssite (welslagen, succes), halffabrikaat en giraffenek, terwijl na 2005 de speller aan het twijfelen gebracht wordt met nieuwe vormen als réussite, halffabricaat en giraffennek (de regel: we schrijven /en/ wanneer het eerste deel niet eindigt op een toonloze /e/ en een meervoud heeft op /en/), om nog maar te zwijgen over rare uitzonderingen als Oud-Romeins. (Dit spel met de oude en nieuwe spelling is ongebruikelijk in een dictee, maar ook wel een uitdaging!)

In principe hanteren we de volgende regels bij samenstellingen met hoog-, laat-, midden-, oud-. Wanneer het een taal betreft, schrijven we de delen aan elkaar en het eerste deel met een hoofdletter (Oudromeins, Laatlatijn). Wanneer het niet een taal betreft, schrijven we een streepje tussen de delen en het tweede deel met een hoofdletter (oud-Fries, vroeg-Griekse mythen). Echter, een speciale uitzondering is gemaakt voor Oud-romeins en Oud-Grieks, wanneer ermee verwezen wordt naar het klassieke Rome / Griekenland.





8.     Kon de eerdergenoemde leraar nog volstaan met flikkerende sfumato beelden (met vervagende, vervloeiende omtrekken) (sfumatobeelden)van de sciopticon (projectielantaarn), modern onderwijs vereist powerpoints, YouTubefilmpjes (YouTube is een nog niet voldoende ingeburgerd merk en daarom in een samenstelling nog met hoofdletters) en geavanceerde elo’s (electronische leeromgeving). Er moet tegenwoordig ge-e-learnd (hele werkwoord: e-learnen. Denk ook aan ge-e-maild) worden.









https://encrypted-tbn3.google.com/images?q=tbn:ANd9GcRnbtL5xU1l9zh-YNLDdTY3P_Bvl9YFc8mCh2tGNupHhHHoeHVa7Q



9.     Toekomstbestendig onderwijs moet weer focussen op het lerende kind. Een adieu aan de educatiemolochs (moloch: iets waaraan alles opgeofferd moet worden. Oorspronkelijk een Fenicische/Assyrische afgod, waaraan waarschijnlijk mensen werden geofferd, Jer. 7:31) en de hedendaagse vorming op een need-to-knowbasis (need-to-know is een samenkoppeling en het woord waarmee een samenstelling is gemaakt /basis/ mag er aan vast) en terug naar een humboldtiaanse (samenstelling met persoonsnaam met kleine letter wanneer het niet rechtstreeks verwijst naar de persoon: marshallplan, molotovcoctail) bildung (Duitse woorden schrijven we met kleine letter, tenzij het een naam betreft: Wehrmacht).

https://encrypted-tbn1.google.com/images?q=tbn:ANd9GcSUEj1dZIRiFMk_mAR_1VgkopS8E4P-k4q3P-FW-3N4-CNfbEHQowhttps://encrypted-tbn1.google.com/images?q=tbn:ANd9GcSUEj1dZIRiFMk_mAR_1VgkopS8E4P-k4q3P-FW-3N4-CNfbEHQow



10.  Dan krijgen we onderwijs naar menselijke maat dat vanuit een nieuw uomo-universale-ideaal (Italiaans: universele mens, duizendpoot. Begrip afkomstig uit de renaissance. Ook vaak (maar nu even niet) latijn: homo universalis) het vuurtje van nieuwsgierigheid, excellentie en passie kan ontsteken bij de tabula rasa’s (glad gemaakt wastafeltje, later ‘vel’)(de dudes en chickies) van de eenentwintigste eeuw.